In het Westen neemt de belangstelling voor de klassieke oosterse spirituele tradities sterk toe. Een bekend voorbeeld is het boeddhisme. Veel minder bekend is de Advaita Vedanta, een nog oudere traditie, die een van de oerbronnen van het hindoeïsme is. De oudste filosofische bronnen van de Advaita Vedanta zijn de Upanishaden, De oude en bekendste Upanishaden ontstonden in de 8e tot 6e eeuw v. Chr., de periode die gedeeltelijk voorafgaat aan en gedeeltelijk samenvalt met die van het optreden van de Boeddha, Confucius, Pythagoras en Herakleitos.
De Upanishaden zijn esoterische geschriften van kleine groepen leerlingen rondom een leraar, die zich in het woud hadden teruggetrokken: de woudscholen. Het woord upanishad wijst op het vertrouwelijk zitten bij de leraar (goeroe) om door hem onderricht te worden. Van hieruit is het begrijpelijk dat upanishad ook geheime spreuk, geheime leer en geheime tekst betekent. Waarschijnlijk in de achtste eeuw werd de filosofie van de Advaita Vedanta systematisch doordacht en vernieuwd door een van de grootste filosofen die India ooit heeft voortgebracht: Shankara.

E E N  L E V E N D E  S P I R I T U E L E W E G
Diverse spirituele leraren bouwden voort op de radicale
bevrijdingsfilosofie van Shankara, soms binnen de muren van
traditionele hindoekloosters, maar vaker op vrije wijze geïnspireerd door zijn werk of de oude advaita-teksten. Soms zelf zó autonoom, dat ze tot geen enkele traditie behoorden. Op authentieke wijze spraken zij vanuit en over advaita – een enkeling zelfs zonder ooit dat woord te gebruiken.
In de 19e en vooral in de vorige eeuw kende Advaita Vedanta een nieuwe bloei in India. Met name sinds de jaren ’70 is deze stroming als levende spirituele weg ook doorgedrongen in het Westen. Opvallend is dat Advaita Vedanta de laatste decennia vooral in Nederland veel mensen aanspreekt. Op diverse plaatsen worden zogeheten satsangs gehouden, bijeenkomsten waar een spiritueel leraar de kern van de advaita-leer doorgeeft: de ware aard van de mens – van jezelf – is grenzeloze, absolute Openheid, waarin alle scheidingen illusoir blijken te zijn. A-dvaita betekent letterlijk ‘zonder tweeheid’, oftewel ‘non-dualiteit’.

V E D A N T A
Vedanta komt van veda-anta en betekent letterlijk ‘einde of essentie van de Veda’s, of einde aan het weten’. De Veda’s zijn de vier oudste heilige wijsheidboeken van de hindoes. De Upanishaden, oftewel de Vedanta, vormen zo het sluitstuk van elk van de vier Veda’s. De Upanishadische problematiek draait om het begrip van Brahman (de bron van alles oftewel de wereldgrond), het Atman (het Zelf) en de relatie tussen Brahman en Atman. De Upanishaden onderzoeken deze vragen vanuit verschillende optieken. De advaita-school ziet een absolute en essentiële eenheid tussen Brahman en Atman. De advaita-filosofie, het non-dualisme, is de eerste en de oudste nog bestaande Vedantische school in de Indiase filosofie. In andere Vedantische tradities, zoals de latere Dvaita en de Vishistadvaita, wordt de relatie tussen Atman en Brahman op andere wijzen begrepen.
Advaita Vedanta is nauw verbonden met jnana yoga,de yoga van kennis, oftewel de weg van inzicht door het maken van het juiste onderscheid (viveka).
In andere spirituele tradities, zoals het boeddhisme, het taoïsme, de joodse en christelijke mystiek, het Kashmir-shaivisme en het soefisme is de non-dualistische visie terug te vinden. Ook in de westerse filosofie zijn stromingen geweest die zich richtten op het Ene en non-dualiteit, zoals het neo-platonisme.


Volgens Advaita Vedanta is alleen het diepst innerlijke deel in de mens bewust. Geen enkel ander deel van de mens kan voelen, denken, zien of weet hebben van iets. De naam in het Sanskriet voor dit bewustzijn is Atman. Het is het deel dat werkelijk het zelf is, en het correspondeert met de ziel in de westerse filosofie.
Atman (het fundamentele geestelijke principe van ieder mens of wezen) is identiek aan de absolute realiteit van het hele universum, het fundamentele kosmische principe: Brahman. Dit principe kent twee onderscheidingen: Brahman met eigenschappen (Saguna Brahman), hetgeen correspondeert
met het westerse idee van God, en het hoogste Brahman, dat zonder eigenschappen is (Nirguna Brahman): het Absolute dat onuitsprekelijk is. Dit hoogste Brahman is onpersoonlijk; het is de bron van alles, het is de hoogste werkelijkheid. In deze werkelijkheid verschijnen alle waarneembare
vormen. Ook God of het Godsbesef verschijnt hierin evenals de laatste kwaliteiten die aan de werkelijkheid kunnen worden toegedicht:
zijn (Sat), bewustzijn (Cit) en gelukzaligheid (Ananda). Dit idee dat het eigen zelf niet verschillend is van het hoogste Zelf is het fundamentele idee van de Upanishaden waarop Advaita Vedanta is gebaseerd. Het kan worden uitgedrukt in de vorm van een vergelijking:

Atman = Brahman
Hoe werkelijk de alledaagse wereld ook is, in de Upanishaden wordt steeds
weer gesteld dat het wérkelijke in deze wereld Brahman is. Brahman woont
als Atman woont in ons, of nog sterker uitgedrukt: wij zijn dit Atman-
Brahman. Uddalaka herhaalt in zijn onderricht in de Chandogya Upanishad
dit vele malen voor zijn zoon Svetaketu:
Tat tvam asi: jij bent Dat

M A Y A
Advaita Vedanta onderscheidt zich van andere interpretaties van de
Upanishaden door te stellen dat aangezien er slechts één Brahman is, er ook
maar één Atman is. Er is in essentie slechts één ‘zelf’ en die delen wij allen.
We zijn volgens deze visie allen één ‘zijn’, één bewustzijn: Brahman.
In de advaita-optiek is dus alleen Brahman werkelijk. Al het andere in het
universum is maya (letterlijk: magie of de verduisterende of scheppende
kracht). Maya is illusoir omdat het verschillend lijkt te zijn van Brahman, maar
dat is het niet. Aangezien maya ons op deze manier misleidt, en omdat het
vergankelijk is, stelt Advaita Vedanta dat maya onwerkelijk is.
De belangrijkste vorm waarin maya ons bedriegt is met betrekking tot ons zelf.
We dénken dat we onze lichamen, onze gedachten, onze gevoelens, onze
karakters, onze verlangens, enzovoorts zijn, maar deze dingen zijn maya.
Ze lijken ‘mij zelf’ te zijn, wat volgens de advaita-filosofie een illusie is.
In werkelijkheid is ons bewustzijn (het deel dat werkelijk ‘zelf’ is)
iets heel anders: Brahman.
Dit is op het eerste gezicht een vreemd en radicaal idee. Het betekent dat het
alledaagse ‘zelf’ niet het ware ‘zelf’ is. Volgens Advaita Vedanta is het zelf
– het Zelf – de hoogste werkelijkheid dat ten grondslag ligt aan het hele
universum. De persoon die in je lichaam lijkt te zitten, de persoon waarvan je gelooft dat je
die zelf bent, blijkt uiteindelijk een illusie.

A V I D Y A & J N A N A
Het Atman-Brahman kan worden gekend, maar deze kennis is niet met
behulp van de zintuigen te verwerven. Wanneer men alleen zintuiglijke kennis
van de wereld bezit, bevindt men zich in een toestand van onwetendheid
(avidya) betreffende de hoogste werkelijkheid. Deze empirische kennis is ook
een foutieve kennis, omdat ze de veelvormige wereld in plaats van het
Brahman en het eigen lichaam in plaats van het Atman voor absoluut houdt.
Werkelijke kennis, jnana, kennis van het Atman-Brahman gaat voorbij
de veranderlijke wereld.
Atman kán ook niet het object van kennis zijn, omdat het het subject van het
kennen, de 'kenner' is. In de Brihadaranyaka Upanishad zegt Yajnavalkya:
‘Hij die nooit wordt gezien is degene die ziet.
Hij die nooit wordt gehoord is degene die hoort.
Hij die nooit wordt gedacht is degene die denkt.
Hij die nooit wordt gekend is degene die kent. (…)
Hij is je Zelf, de innerlijke heerser, de Onsterfelijke.’
Alleen door een steeds verdere gerichtheid naar binnen kan een directe
zekerheid van dit Zelf worden verkregen.
Toch worden er in de Upanishaden pogingen vermeld om het Atman-
Brahman aan te duiden. Een zekere Shakalya probeert dit bijvoorbeeld en
wijst onder andere de aarde, het verlangen en de vormen aan. Yajnavalkya
wijst hem terecht. Hij moet voorbij het genoemde gaan om bij
het Atman uit te komen.
'Maar het Atman is noch dit noch dat (neti neti)'
(Brihadaranyaka Upanishad)

M O K S H A
In hun dagelijkse situatie brengen mensen allerlei scheidingen aan: ik en het
andere, ik en de ander, mijn verlangen en het verlangde, mijn vrees en het
gevreesde, mijn denken en mijn gevoel. Deze scheidingen leveren
spanningen, conflicten en lijden op. Volgens de Advaita Vedanta zijn deze
scheidingen er alleen als er een beperkt standpunt wordt ingenomen.
Opheffing van dit standpunt is mogelijk door inzicht in de ware aard van de
mens te krijgen: een zijn dat helder en ontspannen is, een Openheid zonder
scheidingen – zonder tweeheid.
Shankara erkent het werkelijkheidskarakter van de wereld als een feitelijk
gegeven in het praktische leven. Maar ten opzichte van het Atman-Brahman
is de wereld slechts een betrekkelijke werkelijkheid. De hoogste en in
essentie de enige werkelijkheid is die van het non-dualistische Atman-
Brahman. Er is alleen het Ene, zonder tweede.
Door zintuigelijke waarneming, logische afleiding en getuigenis kunnen wij
kennis verkrijgen, maar niet de hoogste kennis (parajnana). In het gewone
leven is er sprake van ajnana, het niet kennen, of van avidya, het niet zien van
de Werkelijkheid. De eigenschappen van Atman-Brahman en die van de
wereld en de menselijke persoon worden door elkaar gehaald (adhyasa).
Alleen het hoogste inzicht kan aan de verwarring een einde maken. Dat is
dan meteen de bevrijding (moksha) van elke gebondenheid.
De Werkelijkheid is vrij van zwaarte en beperking.

L E R A R E N
Enige bekende advaita-leraren na Shankara zijn Jnaneswar (1300),
Vidyaranya (1350), Dharmaraja (ca. 1550) en Sadananda (ca. 1500).
Hoewel de inhoud in grote lijnen gelijk is, verschillen de diverse geschriften in
interpretatie van Shankara op diverse punten. Eén van de belangrijkste
betreft de aard van maya: hoe zelfstandig is maya ten opzichte van
Brahman, of: is Brahman of maya de oorzaak van de wereld. Door de
verschilpunten ontstonden er aparte scholen. De traditionele benadering van
Advaita Vedanta is voortgezet in talloze kloosters, zoals het
Shankaraklooster van Sringeri, Zuid-India. Een meer academische
benadering hadden in de 20e eeuw auteurs als Sarvepalli Radhakrishnan
en K.C. Bhattacharya en diens leerlingen.
In de laatste 150 jaar zijn vooral Ramakrishna en Ramana Maharshi
belangrijk geweest voor een hernieuwde belangstelling voor de Vedanta-weg.
Bij Ramakrishna is de devotie (bhakti) erg belangrijk. Steeds weer spoorde hij
de mensen aan tot de gerichtheid op God. De kennis, het inzicht in het
Absolute is bij hem echter gelijkwaardig aan of aanvullend op het bhakti-pad.
Ramana Maharshi leerde vooral het directe zoeken naar het Zelf. De weg
tot bevrijding is het bezig blijven met de vraag: 'Wie ben ik'. Ramakrishna's
Vedanta is en wordt verbreid door de Ramakrishna-Mission. Ook Ramana's
onderricht is nog steeds levend en wordt verbreid onder andere door middel
van het blad Mountain Path.
Ook anderen dragen de Vedanta uit. De namen van Jiddu Krishnamurti,
Nisargadatta Maharaj, H.W.L. Poonja, Vimala Thakar, Aurobindo, Ramesh
Balsekar, Krishna Menon, Jean Klein, de Nederlander Wolter Keers en vele
anderen kunnen in dit verband worden genoemd. Vooral vanaf het eind van
het 2e millennium blijkt de belangstelling voor de Vedanta in het Westen
sterk toe te nemen.

Bron: Douwe Tiemersma