advaita vedanta
Door Dr. Douwe Tiemersma.
(tekst overgenomen
met toestemming van de auteur.)
In het Westen neemt de belangstelling voor de
klassieke oosterse spirituele tradities sterk
toe. Een bekend voorbeeld is het boeddhisme.
Veel minder bekend is de Advaita Vedanta, een
nog oudere traditie, die een van de oerbronnen
van het hindoeïsme is. De oudste filosofische
bronnen van de Advaita Vedanta zijn de
Upanishaden, De oude en bekendste Upanishaden
ontstonden in de 8e tot 6e eeuw v. Chr., de
periode die gedeeltelijk voorafgaat aan en
gedeeltelijk samenvalt met die van het optreden
van de Boeddha, Confucius, Pythagoras en
Herakleitos.
De Upanishaden zijn esoterische geschriften van
kleine groepen leerlingen rondom een leraar, die
zich in het woud hadden teruggetrokken: de
woudscholen. Het woord upanishad wijst op het
vertrouwelijk zitten bij de leraar (goeroe) om
door hem onderricht te worden. Van hieruit is
het begrijpelijk dat upanishad ook geheime
spreuk, geheime leer en geheime tekst betekent.
Waarschijnlijk in de achtste eeuw werd de
filosofie van de Advaita Vedanta systematisch
doordacht en vernieuwd door een van de grootste
filosofen die India ooit heeft voortgebracht:
Shankara.
E E N L E V E N D E S P I R I T U E
L E W E G
Diverse spirituele leraren bouwden voort op de
radicale
bevrijdingsfilosofie van Shankara, soms binnen
de muren van
traditionele hindoekloosters, maar vaker op
vrije wijze geïnspireerd door zijn werk of de
oude advaita-teksten. Soms zelf zó autonoom, dat
ze tot geen enkele traditie behoorden. Op
authentieke wijze spraken zij vanuit en over
advaita – een enkeling zelfs zonder ooit dat
woord te gebruiken.
In de 19e en vooral in de vorige eeuw kende
Advaita Vedanta een nieuwe bloei in India. Met
name sinds de jaren ’70 is deze stroming als
levende spirituele weg ook doorgedrongen in het
Westen. Opvallend is dat Advaita Vedanta de
laatste decennia vooral in Nederland veel mensen
aanspreekt. Op diverse plaatsen worden zogeheten
satsangs gehouden, bijeenkomsten waar een
spiritueel leraar de kern van de advaita-leer
doorgeeft: de ware aard van de mens – van jezelf
– is grenzeloze, absolute Openheid, waarin alle
scheidingen illusoir blijken te zijn. A-dvaita
betekent letterlijk ‘zonder tweeheid’, oftewel
‘non-dualiteit’.
V E D A N T A
Vedanta komt van veda-anta en betekent
letterlijk ‘einde of essentie van de Veda’s, of
einde aan het weten’. De Veda’s zijn de vier
oudste heilige wijsheidboeken van de hindoes. De
Upanishaden, oftewel de Vedanta, vormen zo het
sluitstuk van elk van de vier Veda’s. De
Upanishadische problematiek draait om het begrip
van Brahman (de bron van alles oftewel de
wereldgrond), het Atman (het Zelf) en de relatie
tussen Brahman en Atman. De Upanishaden
onderzoeken deze vragen vanuit verschillende
optieken. De advaita-school ziet een absolute en
essentiële eenheid tussen Brahman en Atman. De
advaita-filosofie, het non-dualisme, is de
eerste en de oudste nog bestaande Vedantische
school in de Indiase filosofie. In andere
Vedantische tradities, zoals de latere Dvaita en
de Vishistadvaita, wordt de relatie tussen Atman
en Brahman op andere wijzen begrepen.
Advaita Vedanta is nauw verbonden met jnana
yoga,de yoga van kennis, oftewel de weg van
inzicht door het maken van het juiste
onderscheid (viveka).
In andere spirituele tradities, zoals het
boeddhisme, het taoïsme, de joodse en
christelijke mystiek, het Kashmir-shaivisme en
het soefisme is de non-dualistische visie terug
te vinden. Ook in de westerse filosofie zijn
stromingen geweest die zich richtten op het Ene
en non-dualiteit, zoals het neo-platonisme.
Volgens Advaita Vedanta is alleen het diepst
innerlijke deel in de mens bewust. Geen enkel
ander deel van de mens kan voelen, denken, zien
of weet hebben van iets. De naam in het
Sanskriet voor dit bewustzijn is Atman. Het is
het deel dat werkelijk het zelf is, en het
correspondeert met de ziel in de westerse
filosofie.
Atman (het fundamentele geestelijke principe van
ieder mens of wezen) is identiek aan de absolute
realiteit van het hele universum, het
fundamentele kosmische principe: Brahman. Dit
principe kent twee onderscheidingen: Brahman met
eigenschappen (Saguna Brahman), hetgeen
correspondeert
met het westerse idee van God, en het hoogste
Brahman, dat zonder eigenschappen is (Nirguna
Brahman): het Absolute dat onuitsprekelijk is.
Dit hoogste Brahman is onpersoonlijk; het is de
bron van alles, het is de hoogste werkelijkheid.
In deze werkelijkheid verschijnen alle
waarneembare
vormen. Ook God of het Godsbesef verschijnt
hierin evenals de laatste kwaliteiten die aan de
werkelijkheid kunnen worden toegedicht:
zijn (Sat), bewustzijn (Cit) en gelukzaligheid (Ananda).
Dit idee dat het eigen zelf niet verschillend is
van het hoogste Zelf is het fundamentele idee
van de Upanishaden waarop Advaita Vedanta is
gebaseerd. Het kan worden uitgedrukt in de vorm
van een vergelijking:
Atman = Brahman
Hoe werkelijk de alledaagse wereld ook is, in de
Upanishaden wordt steeds
weer gesteld dat het wérkelijke in deze wereld
Brahman is. Brahman woont
als Atman woont in ons, of nog sterker
uitgedrukt: wij zijn dit Atman-
Brahman. Uddalaka herhaalt in zijn onderricht in
de Chandogya Upanishad
dit vele malen voor zijn zoon Svetaketu:
Tat tvam asi: jij bent Dat
M A Y A
Advaita Vedanta onderscheidt zich van andere
interpretaties van de
Upanishaden door te stellen dat aangezien er
slechts één Brahman is, er ook
maar één Atman is. Er is in essentie slechts één
‘zelf’ en die delen wij allen.
We zijn volgens deze visie allen één ‘zijn’, één
bewustzijn: Brahman.
In de advaita-optiek is dus alleen Brahman
werkelijk. Al het andere in het
universum is maya (letterlijk: magie of de
verduisterende of scheppende
kracht). Maya is illusoir omdat het verschillend
lijkt te zijn van Brahman, maar
dat is het niet. Aangezien maya ons op deze
manier misleidt, en omdat het
vergankelijk is, stelt Advaita Vedanta dat maya
onwerkelijk is.
De belangrijkste vorm waarin maya ons bedriegt
is met betrekking tot ons zelf.
We dénken dat we onze lichamen, onze gedachten,
onze gevoelens, onze
karakters, onze verlangens, enzovoorts zijn,
maar deze dingen zijn maya.
Ze lijken ‘mij zelf’ te zijn, wat volgens de
advaita-filosofie een illusie is.
In werkelijkheid is ons bewustzijn (het deel dat
werkelijk ‘zelf’ is)
iets heel anders: Brahman.
Dit is op het eerste gezicht een vreemd en
radicaal idee. Het betekent dat het
alledaagse ‘zelf’ niet het ware ‘zelf’ is.
Volgens Advaita Vedanta is het zelf
– het Zelf – de hoogste werkelijkheid dat ten
grondslag ligt aan het hele
universum. De persoon die in je lichaam lijkt te
zitten, de persoon waarvan je gelooft dat je
die zelf bent, blijkt uiteindelijk een illusie.
A V I D Y A & J N A N A
Het Atman-Brahman kan worden gekend, maar deze
kennis is niet met
behulp van de zintuigen te verwerven. Wanneer
men alleen zintuiglijke kennis
van de wereld bezit, bevindt men zich in een
toestand van onwetendheid
(avidya) betreffende de hoogste werkelijkheid.
Deze empirische kennis is ook
een foutieve kennis, omdat ze de veelvormige
wereld in plaats van het
Brahman en het eigen lichaam in plaats van het
Atman voor absoluut houdt.
Werkelijke kennis, jnana, kennis van het
Atman-Brahman gaat voorbij
de veranderlijke wereld.
Atman kán ook niet het object van kennis zijn,
omdat het het subject van het
kennen, de 'kenner' is. In de Brihadaranyaka
Upanishad zegt Yajnavalkya:
‘Hij die nooit wordt gezien is degene die ziet.
Hij die nooit wordt gehoord is degene die hoort.
Hij die nooit wordt gedacht is degene die denkt.
Hij die nooit wordt gekend is degene die kent.
(…)
Hij is je Zelf, de innerlijke heerser, de
Onsterfelijke.’
Alleen door een steeds verdere gerichtheid naar
binnen kan een directe
zekerheid van dit Zelf worden verkregen.
Toch worden er in de Upanishaden pogingen
vermeld om het Atman-
Brahman aan te duiden. Een zekere Shakalya
probeert dit bijvoorbeeld en
wijst onder andere de aarde, het verlangen en de
vormen aan. Yajnavalkya
wijst hem terecht. Hij moet voorbij het genoemde
gaan om bij
het Atman uit te komen.
'Maar het Atman is noch dit noch dat (neti neti)'
(Brihadaranyaka Upanishad)
M O K S H A
In hun dagelijkse situatie brengen mensen
allerlei scheidingen aan: ik en het
andere, ik en de ander, mijn verlangen en het
verlangde, mijn vrees en het
gevreesde, mijn denken en mijn gevoel. Deze
scheidingen leveren
spanningen, conflicten en lijden op. Volgens de
Advaita Vedanta zijn deze
scheidingen er alleen als er een beperkt
standpunt wordt ingenomen.
Opheffing van dit standpunt is mogelijk door
inzicht in de ware aard van de
mens te krijgen: een zijn dat helder en
ontspannen is, een Openheid zonder
scheidingen – zonder tweeheid.
Shankara erkent het werkelijkheidskarakter van
de wereld als een feitelijk
gegeven in het praktische leven. Maar ten
opzichte van het Atman-Brahman
is de wereld slechts een betrekkelijke
werkelijkheid. De hoogste en in
essentie de enige werkelijkheid is die van het
non-dualistische Atman-
Brahman. Er is alleen het Ene, zonder tweede.
Door zintuigelijke waarneming, logische
afleiding en getuigenis kunnen wij
kennis verkrijgen, maar niet de hoogste kennis (parajnana).
In het gewone
leven is er sprake van ajnana, het niet kennen,
of van avidya, het niet zien van
de Werkelijkheid. De eigenschappen van
Atman-Brahman en die van de
wereld en de menselijke persoon worden door
elkaar gehaald (adhyasa).
Alleen het hoogste inzicht kan aan de verwarring
een einde maken. Dat is
dan meteen de bevrijding (moksha) van elke
gebondenheid.
De Werkelijkheid is vrij van zwaarte en
beperking.
L E R A R E N
Enige bekende advaita-leraren na Shankara zijn
Jnaneswar (1300),
Vidyaranya (1350), Dharmaraja (ca. 1550) en
Sadananda (ca. 1500).
Hoewel de inhoud in grote lijnen gelijk is,
verschillen de diverse geschriften in
interpretatie van Shankara op diverse punten.
Eén van de belangrijkste
betreft de aard van maya: hoe zelfstandig is
maya ten opzichte van
Brahman, of: is Brahman of maya de oorzaak van
de wereld. Door de
verschilpunten ontstonden er aparte scholen. De
traditionele benadering van
Advaita Vedanta is voortgezet in talloze
kloosters, zoals het
Shankaraklooster van Sringeri, Zuid-India. Een
meer academische
benadering hadden in de 20e eeuw auteurs als
Sarvepalli Radhakrishnan
en K.C. Bhattacharya en diens leerlingen.
In de laatste 150 jaar zijn vooral Ramakrishna
en Ramana Maharshi
belangrijk geweest voor een hernieuwde
belangstelling voor de Vedanta-weg.
Bij Ramakrishna is de devotie (bhakti) erg
belangrijk. Steeds weer spoorde hij
de mensen aan tot de gerichtheid op God. De
kennis, het inzicht in het
Absolute is bij hem echter gelijkwaardig aan of
aanvullend op het bhakti-pad.
Ramana Maharshi leerde vooral het directe zoeken
naar het Zelf. De weg
tot bevrijding is het bezig blijven met de
vraag: 'Wie ben ik'. Ramakrishna's
Vedanta is en wordt verbreid door de
Ramakrishna-Mission. Ook Ramana's
onderricht is nog steeds levend en wordt
verbreid onder andere door middel
van het blad Mountain Path.
Ook anderen dragen de Vedanta uit. De namen van
Jiddu Krishnamurti,
Nisargadatta Maharaj, H.W.L. Poonja, Vimala
Thakar, Aurobindo, Ramesh
Balsekar, Krishna Menon, Jean Klein, de
Nederlander Wolter Keers en vele
anderen kunnen in dit verband worden genoemd.
Vooral vanaf het eind van
het 2e millennium blijkt de belangstelling voor
de Vedanta in het Westen
sterk toe te nemen.
Bron: Douwe Tiemersma





